Inkomensladder verliest steeds meer treden..

Inkomensladder verliest steeds meer treden..

sep 11, 2018 Nieuwsfeed by vincent

Inkomensladder verliest steeds meer treden

Wie voor een dubbeltje is geboren, kan in Nederland nog altijd een kwartje worden. Maar dat wordt wel steeds moeilijker.

Vroeger was het beter. Het is een cliché en voor meer dan de helft van de Nederlandse dertigers waar. Uit een nieuwe studie in het economenblad ESB blijkt dat 51% van hen nu slechter af is dan hun ouders twintig jaar geleden.

Het is aannemelijk dat dit voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis is, zegt hoogleraar economie Daniël van Vuuren van Tilburg University en co-auteur van de bijdrage.

 

De financiële crisis van 2008 speelt daarin een belangrijke rol, zo leert een vergelijking met de Nederlanders die in 2005 midden de dertig waren. Toen had 54% een hoger inkomen dan hun ouders in 1985 hadden (op dat ogenblik waren zij zelf gemiddeld 15 jaar en hun ouders 45). Een decennium later was dat voor de 35-jarigen dus gedaald tot 49%.

Beduidend moeilijker

Dat is niet de enige verontrustende vaststelling. De onderzoekers keken ook naar de kans dat iemand zich kan opwerken in de samenleving. Hoe vaak gebeurt het dat iemand die opgroeit in een middenklassengezin bijvoorbeeld uitgroeit tot topverdiener?

Foto: Hollandse Hoogte / FD Studio

De conclusie is hard: het is de afgelopen tien jaar beduidend moeilijker geworden voor Nederlanders om er in het leven op vooruit te gaan. Ze blijven meer dan vroeger hangen rond het inkomensniveau van hun ouders. Vooral voor hen die zijn opgegroeid in de 20% armste gezinnen is de vloer plakkeriger geworden. In 2005 kon nog 73% van hen zeggen dat ze in een hogere inkomensklasse waren beland. Een decennium later was dat nog maar 67%.

Een belangrijke verklaring voor deze negatieve ontwikkeling ligt opnieuw bij de crisis van 2008, verklaart Maarten Goos, arbeidsmarktspecialist en hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. De eersten om daarbij hun baan te verliezen waren de lager gekwalificeerden, een groep die doorgaans al een lager inkomen heeft. Doordat de crisis zo lang en diep was, gingen degenen die wel aan het werk bleven, er niet op vooruit. Tussen 2008 en 2015 zijn de lonen amper gestegen.

Structurele trends

Op de achtergrond spelen ook structurele trends. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog was er een hogere inkomensmobiliteit, doordat kinderen uit lage inkomensgroepen gemakkelijker toegang kregen tot het hoger onderwijs. ‘Door die democratisering kon heel wat talent dat anders onontgonnen was gebleven, grote stappen maken op de arbeidsmarkt en in de inkomensverdeling’, stelt Cok Vrooman, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Nu die inhaalbeweging achter de rug is, stokt het onderwijs als motor van de emancipatie, meent Vrooman. ‘De concurrentie onder hoogopgeleiden is groter geworden, want ze zijn ondertussen eenvoudigweg met meer.’

Goos situeert het omslagpunt in de sociale mobiliteit rond de jaren 1980. ‘Tot dan lag de sociale mobiliteit hoger door de groei van de maakindustrie, de uitbouw van de welvaartsstaat en de toenemende arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. Sindsdien nam de sociale bescherming flink af, en kwamen er in de dienstensector veel laagbetaalde banen bij.’

Polarisering van de arbeidsmarkt

Het was ook de periode waarin de polarisering van de arbeidsmarkt op gang kwam. ‘Het aantal goedbetaalde banen is toegenomen, net als het aantal slechtbetaalde banen zoals Uber-chauffeurs en pizzakoeriers’, verklaart Goos. ‘Het middensegment dunt uit. Technologische vooruitgang en globalisering hadden lang een positieve impact op de werkgelegenheid en lonen van goed geschoolde werknemers, maar nu ondervinden ook geschoolde banen concurrentie van technologie die vroeger complementair was met hun kunnen, zoals boekhouders.’

Van Vuuren is niet meteen verontrust door de bevinding dat de inkomensmobiliteit afneemt. ‘Het verleden was zo positief, met de toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt en de democratisering van het onderwijs, dat het logisch is dat die mobiliteit nu iets lager ligt. Een herhaling van dat succes is moeilijk.’

Zowel Vrooman als Goos benadrukt dat we ons niet enkel mogen blindstaren op het inkomen. Die eerste noemt het zelfs ‘een platte maatstaf’. ‘Ik spreek liever van levenskansen. Die zijn bijvoorbeeld gerelateerd aan onderwijs en de toegang tot informele netwerken.’

Weinig reden tot optimisme

Afgaand op het SCP-rapport Verschil in Nederland is er weinig reden tot optimisme. Het merendeel van de Nederlanders gelooft immers dat de kans dat een kind uit een lager sociaal milieu hoger onderwijs kan voltooien in de afgelopen dertig jaar is gestegen. ‘Maar als ze tien jaar vooruitkijken, vindt een meerderheid dat die kans daalt’, merkt Vrooman op.

Ook sociale connecties zijn belangrijk, meent hij. ‘Het aandeel Nederlanders dat vindt dat het noodzakelijk is om “de juiste mensen te kennen” om in het leven vooruit te komen is tussen 1987 en 2013 significant gestegen. Dat heeft weinig te maken met eigen verdienste.’

Van Vuuren, tevens verbonden aan het Centraal Planbureau, vindt het te vroeg om beleidsaanbevelingen te formuleren. ‘Daarvoor moeten we eerst beter bestuderen welke factoren bijdragen aan die dalende mobiliteit. Is het bijvoorbeeld omdat de studiekosten te hoog liggen voor armere gezinnen, waardoor hun kinderen niet de beste scholing krijgen?’

Ook in andere westerse landen nam de inkomensmobiliteit de afgelopen decennia af, zij het niet overal in dezelfde mate. Nederland blijft in internationaal opzicht een samenleving waar een dubbeltje de ambitie van een kwartje mag koesteren, benadrukt Van Vuuren. ‘Dit land valt op dat vlak niet te vergelijken met de Verenigde Staten, waar de middenklasse echt wel achteruit boert.’