Van glazenwasser tot MKB-baas

Jacco Vonhof was ooit glazenwasser, heeft nu een schoonmaakbedrijf met 2100 medewerkers en is sinds een jaar voorzitter van MKB-Nederland. ‘Diep vanbinnen ben ik een blingblingjongetje.’ Fotografie: Martin Dijkstra voor het FD
CV
Geboren: 3 oktober 1969, Enschede
Opleiding: atheneum Thorbecke SG, Zwolle Studie: 1989 rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen, niet afgemaakt
Loopbaan: schoonmaakwerk bij Cemsto
1992-1993: heftruckchauffeur bij kruidenfabriek Euroma
1993-heden: schoonmaakbedrijf Novon in Zwolle; 2100 werknemers met 70 nationaliteiten.
2005: mede-aandeelhouder­ uitzendorganisatie Jobs.
2018-heden: voorzitter Koninklijke Vereniging MKB-Nederland

In een matgrijze Tesla X met geblindeerde ramen draait MKB-Nederland-voorzitter Jacco Vonhof (50) het terrein van stadion PEC Zwolle op. Na een Tesla S, bescheidener en wit, volgde deze aangepaste versie met vleugeldeuren. Als hij uitstapt, zegt hij: ‘Die uitmonstering is de schuld van mijn zoon, Syb. Hij vond die nieuwe Tesla een rijdende zetpil, zo lelijk, maar deze gepimpte versie was volgens hem nog wel te hachelen. In het begin voelde ik me er net een rapper in.’
Doordeweeks laat Vonhof zich rijden door chauffeur John, in een brave Volvo sedan. Ook dat was wennen. ‘Mensen met chauffeurs waren in mijn ogen snobs, maar ik krijg als voorzitter zoveel stukken onder mijn neus geduwd, dat ik vrij snel om was.’ Met dynamische tred gaat hij voor naar de ingang van het stadion. Knappe man, slank postuur in zwart overhemd en jeans, waaronder handgemaakte blauwe leren schoenen van Jeffery-West. Over dat laatste: ‘Op de eerste Prinsjesdagborrel van VNO-NCW/MKB-Nederland in mijn rol als voorzitter maakte ik kennis met alle bewindspersonen. Zegt minister Eric Wiebes: “Zo, mooie Jeffery-Wests.” Vond ik leuk.’ De schoenen, de auto. Is dat het patserige deel van uw karakter?
‘Natuurlijk hebben die te maken met haantjesgedrag. Ik ben wel van de school “gun het jezelf”, ook al is het bezit van de zaak vaak het einde van het vermaak.’
IJdelheid is u niet vreemd. ‘Sterker nog, ik denk dat het een van mijn belangrijkste competenties is. Niet in de zin dat mensen me mooi en geweldig moeten vinden, wel in de zin dat ik het leuk vind om op een podium te staan. Ik voel niet de behoefte om gemiddeld te zijn.’

Onderweg naar zijn ‘Vonhofs rock’, in de nok van het stadion, geeft hij mensen van de club een hand of een glimlach. Gesprekken, hoe kort ook, gaan onvermijdelijk over de nederlagen van de club in het begin van het seizoen. Vonhof, vol optimisme: ‘Achterstand is de beste motivatie om keihard terug te komen.’ Maar later: ‘Als we verliezen, blijf ik geen tel na de wedstrijd.’
Het stadion is leeg op de ochtend dat Vonhof op zijn ‘rock’ gaat staan. Een betonnen kist op de bovenste rij van de tribune, die een kennis zonder zijn medeweten voor hem maakte met ‘Vonhofs rock’ erop. Al tien jaar is dit zijn plek, ook een beetje uit bijgeloof. Hier heeft hij overzicht, kan hij schelden op de scheidsrechter, op de tv links van hem de herhalingen zien en de wedstrijd analyseren met zijn maten.
De rock is hem dierbaar. ‘Het idee dat iemand dit voor mij heeft gemaakt, vind ik mooi.’ Met een grijns: ‘En de plek is ook een soort no-goarea. Als ik er niet ben en iemand anders staat erop, wordt hij ervanaf gejaagd.’

De ondernemer wordt op handen gedragen in ‘het Zwolse’, de stad waar hij zo’n dertig jaar woont. Coby Zandbergen, die met hem actief is in de lokale cultuur en het onderwijs, noemt hem ‘een heel grote’. ‘Met zijn jeugdige energie heeft hij meegeholpen het imago van Zwolle als saaie provinciestad af te schudden. Iemand als driesterrenchef­ Jonnie Boer zorgde er voor vakmatige verdieping, Jacco Vonhof met al zijn netwerken voor verbreding.’ Niet slecht voor een gesjeesde rechtenstudent, die op zijn 23ste met een ladder en een emmer sop voor zichzelf begon als glazenwasser.
‘Toen ik Linda ontmoette, die al een goede baan had, dacht ik: daar trek ik lekker bij in’.

Uw vriendin Linda gaf u indertijd een flinke duw om voor uzelf te beginnen. Ze was klaar met uw gelanterfant en had uw tas al bij de deur gezet.
‘Iedereen was eigenlijk klaar met me. Mijn ouders hoefden me niet meer thuis omdat ik alles leuk vond van het studentenleven, behalve studeren. En toen ik Linda ontmoette, die zeven jaar ouder was en al een goede baan had met een auto, dacht ik: daar trek ik lekker bij in. Ik verkeerde in de veronderstelling dat ik kon doorgaan met luieren. Vond zij niets.’
Waarop u ging werken als heftruckchauffeur.
‘Ja, heb ik een jaar gedaan in een kruidenfabriek. Veel geleerd, vooral dat mensen niet luisteren naar een heftruckchauffeur, ook al vond ik dat dingen anders moesten. Ik kwam vaak thuis met het idee dat ik iets voor mezelf wilde gaan doen. Dat gezeur duurde Linda te lang en toen stond daar die tas bij de deur met twee keuzes: of ik ging weer op mezelf wonen, of ik ging voor mezelf beginnen.’
Waarom koos u voor glazenwasser?
‘Mijn vader was directeur bij een schoonmaakbedrijf en ik had daar bijbaantjes gehad die ik wel leuk vond. Een paar uur ’s avonds naar een kantoor beviel me beter dan om vijf uur op moeten om kranten te bezorgen. Ik vond glazenwassers ook wel stoer. Diep vanbinnen ben ik een blingblingjongetje. Als ik me niet aan de bestaande conventies van mijn nette opvoeding zou houden, droeg ik vast dikke gouden glazenwasserskettingen en had ik om elke vinger een ring met een steen erin. Ik houd het nu keurig bij een paar mooie horloges, die ik koop als er iets bijzonders is. Zo heb ik één Fries Van der Gang-horloge gekocht toen ik een Fries schoonmaakbedrijf overnam. En ik heb een Cartier. Verdere polonaise kan ik niet bedenken.’
Uw rug schijnt anders vol te zitten met tatoeages.
‘O, nou, mijn rug is echt van mij hoor. Niet dat ik me ervoor schaam, maar die laat ik nooit zien.’
‘Als ik vijf minuten te laat was, belde mijn moeder al het alarmnummer van de politie’
Vertel.
‘Op mijn 18de heb ik een wolf op mijn schouder laten zetten, tot ontsteltenis van mijn moeder. In die tijd was het wel bijzonder om te doen. Het werd ook bijna een verslaving. Op mijn rug heb ik een Chinese draak, de namen van mijn kinderen en mijn vrouw en de sterfdatum van mijn moeder. Dat soort dingetjes.’ Lachend: ‘Als ik straks aan geheugenverlies lijd, heb ik in elk geval mijn levensverhaal op mijn lichaam staan.’
Welke tatoeage is het bijzonderst?
‘Eh, ik kreeg in 2012 een speldje vanwege mijn benoeming tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Prachtig natuurlijk, maar ik dacht: ga ik met zo’n speldje lopen? Toen heb ik de ridderorde op een niet zichtbare plek op mijn arm laten tatoeëren. Dat was gelijk de laatste.’

Vonhof werd een selfmade man. In korte mouwen eerst in zijn eentje de ladder op. Leuk tussen mei en september, maar de kou vond hij gruwelijk. ‘Ik wilde naar binnen.’ Dus besloot hij ook schoonmaakdiensten aan te bieden. Met de armen in wc-potten, dat werk. ‘Ik ben nergens vies van.’ Linda hielp mee. ‘We hebben samen de zaak groot gemaakt, met alle ups en downs. Zij had wat ik miste, daadkracht en doorzettingsvermogen.’ Hij vertelt dat een schoonmaakbedrijf een dissatisfier is. ‘Je hoort klanten alleen maar als er bijvoorbeeld een vieze vuilnisbak is achtergelaten, niet als je gewoon goed schoonmaakt. Niemand vindt er iets van, en wat wij doen is ook nog iets wat iedereen kan, dus waarom zou je zakendoen met mij?’
Het werd Vonhof duidelijk dat hij van zichzelf een merk moest maken en op de plaatsen moest zien te komen waar beslissers zijn. Hij werd lid van de plaatselijke VVD en de Rotary en hij sponsorde PEC Zwolle, festivals en ballonspektakels. ‘De bazen van de stad zijn lid van de Rotary. Die vonden mij wel een leuk, jong mannetje. Voor de meeste was ik een soort zoon.’
Toen hij zo’n driehonderd mensen in dienst had, kwam de ondernemer voor een dilemma te staan. ‘Ondernemerschap is één grote struikelpartij. Ik heb nooit een plan gehad. Je begint, omstandigheden veranderen, je leert dingen over jezelf en gaandeweg krijg je in de gaten waar je goed in bent. Met mijn verbale talent kon ik klanten binnenhalen, maar ik vond me op andere vlakken niet goed genoeg om het bedrijf naar een volgende fase te brengen.’

Droge gehaktbal
Hij had drie keuzes. Blijven, verkopen of een sprong naar voren maken zodat hij mensen kon aannemen die het bedrijf groter konden maken. Elbert-Jan Hesse, die hij nog kende uit zijn studententijd, werkte op dat moment bij het grootste schoonmaakbedrijf ter wereld. Vonhof trok hem aan als algemeen directeur. Hesse over wat hij aantrof bij Novon: ‘Het liep Vonhof duidelijk over de schoenen. Er waren veel te veel leveranciers, te hoge ontwikkelingskosten en hij gaf bakken geld uit aan pleasen. Personeel en relaties die een centje nodig hadden, konden altijd bij hem aankloppen. En de koelkast stond dagelijks vol met Zwollenaartjes, een soort tompoucen. Bij elk gesprek met een medewerker kwamen die op tafel. Elke vrijdagmiddag was er ruimte voor een biertje. Kortom, er ging meer geld uit dan er binnenkwam.’
Vonhof: ‘Door Hesse konden we verder groeien en mijn rol als eigenaar lag steeds minder in de uitvoering en meer aan de horizon. Ik ging meer doen in de brancheorganisatie, werd cao-onderhandelaar en ontdekte hoe leuk het is om aan de algemene zaak te werken.’
Met het bedrijf doen ze regelmatig mee aan de beklimming van de Mont Ventoux voor onder andere KWF. Vijf jaar geleden beklom Vonhof hem voor het eerst. Wandelend, met rugklachten. De jaren erna deed hij het hardlopend en fietsend. ‘Mijn moeder overleed aan kanker en in het bedrijf hebben we er met collega’s helaas ook mee te maken. De onmacht raakt me.’
Het ontroert hem samen met collega’s die kale berg te bedwingen. ‘Die ene minuut stilte, wanneer je arm in arm staat, elkaar plagen met de beklimming, de aankomst boven op de berg, ik heb altijd mijn tranen klaar. Er zit nul wedstrijdelement in. Ik werd dit jaar voorbijgefietst door een man met één been en één arm. Hij daalde ook af hè. Dan moet je bij die aanblik wel een erg droge gehaktbal zijn als je het drooghoudt.’ In juni fietste Vonhof de berg zelfs drie keer op, vanuit verschillende startpunten. Hij lacht: ‘Waarschijnlijk om, vlak voordat ik vijftig zou worden, mezelf te bewijzen dat ik nog fit ben.’

Kaping Bovensmilde
Maandag 23 mei 1977, negen uur ’s ochtends. In de klas van de zevenjarige Jacco in Bovensmilde komen twee Molukse jongens met een geweer binnen. Op hetzelfde moment wordt in Beilen een trein gekaapt, waarbij drie doden vallen. Met 105 kinderen en vijf leerkrachten wordt Jacco in zijn school gegijzeld. De kapers streven met hun acties naar een vrije Republiek der Zuid-Molukken. Vonhof: ‘We werden met alle klassen naar de aula gebracht. Oudere kinderen huilden, wij deden mee, ook al wisten we niet waarom. De eerste nacht was er niets, de tweede nacht hadden we matjes. We moesten zingen “Wij willen leven”. Van Agt kan het niet meer toegeven, maar er is gespeculeerd dat er iets in het eten, patat met gehaktballen, is gestopt. Veel kinderen werden ziek, waarop we na vier dagen werden vrijgelaten. De leerkrachten hebben er drie weken gezeten.’
Heeft die gebeurtenis u getraumatiseerd?
‘Ik geloof oprecht van niet. Als ik eraan denk, twijfel ik ook of het herinneringen zijn uit de overlevering of van mezelf. Ik was zeven, dat is anders dan twaalf, als je al meer bezig bent met dood. Mijn moeder heeft er wel een enorme tik van gekregen. Zij was sindsdien altijd bang dat mij iets overkwam. Als ik vijf minuten te laat uit school was, belde ze al naar het alarmnummer van de politie. Die dachten vast: o, dat is die mevrouw weer met haar zoon die weg is. En als ik wat had uitgevreten, kreeg ik geen straf, maar beloonde ze me met een biefstuk. Dat beschermende heeft me in de puberteit wel benauwd.’

Adriaan Visser, voorzitter van PEC Zwolle, noemt Vonhof toegankelijk en vrij van vooroordelen. ‘Vaak komen we op vrijdagmiddag in café De Hete Brij met een man of vijftien samen en bespreken we de wereld. Van de circulaire economie tot het basisloon en natuurlijk voetbal.’
Dat vrij zijn van vooroordelen lukt u niet altijd. Ik las in een interview dat u daarmee de mist inging toen u met uw Porsche Panamera bij een ROC-school aankwam, daar donkere jongens met kettingen en hoodies zag staan en dacht: help, mijn auto.
‘Klopt. Het is jaren terug, maar die constatering bij mezelf drukte me met mijn neus op de feiten. Ik dacht: dit past niet bij mij, ik wil niet stellig zijn in mijn superioriteit, maar blijkbaar zijn er toch ook onbewust knopjes die je dan zo laten denken. Heel irritant.’
‘Ik geloof niet in een samenleving waarin we mensen twee keer straffen’
U hebt ook een project met vrouwen in de gevangenis. Die wilde u klaarstomen voor een schoonmaakcarrière bij vrijlating. Maar een van uw klanten, een lokale bank, wilde daarop de samenwerking opzeggen. De directeur wilde geen criminelen over de vloer.
‘Ik geloof niet in een samenleving waarin we mensen twee keer straffen. Jonge vrouwen hadden iets gedaan, vaak uit jeugdige onnozelheid. De straf is uitgezeten, dan hoeven ze niet nog een keer te boeten. Ik zei tegen hem: “De slimste boeven worden niet gepakt en die werken misschien ook wel bij u.”’
Zelf bent u in uw bedrijf ook bestolen, door iemand op de boekhouding.
‘Klopt. Voordat je een goede crimineel aan de binnenkant te pakken hebt ... Deze dame vertrouwde ik honderd procent, maar ze heeft als een lintworm een achterdeur ontdekt in ons boekhoudsysteem en zo behoorlijk veel geld gestolen. Zo slim, zo geniaal. Ik wou dat ze die slimheid aan de goede kant had ingezet. Ze is veroordeeld.’
Waarom komt u hiermee naar buiten?
‘Veel ondernemers schamen zich ervoor als zoiets gebeurt. Ze voelen zich geen goede ondernemer. Maar zij hebben het toch niet gedaan? Ze waren, net als ik, alleen maar goed van vertrouwen.’
Sinds een jaar staat de Zwollenaar aan het roer van de grootste vereniging van het midden- en kleinbedrijf, MKB-Nederland. Een brancheorganisatie met 200.000 aangesloten bedrijven, die aan 4,4 miljoen mensen werk geven. Met zijn achterban denkt de voorzitter na over onder andere robotisering en technologie en de kansen en gevolgen daarvan voor ondernemers. Maar ook over de vraag hoe die enorme achterban – van zzp’ers, kleine bedrijven en grote bedrijven tot 500 werknemers – beter kan worden benoemd. Vonhof: ‘Niemand wil meer een mkb’er worden genoemd, want het klinkt alsof je Calimero bent. Hiervoor moeten betere begrippen komen.’

Vonhof denkt dat hij niet genadeloos genoeg is voor de politiek. In Den Haag lobbyt u voor de belangen van ondernemers. Hoe vindt u dat politieke spel?
‘Wennen. Ik voer heel vaak goede gesprekken met politici en bewindvoerders, althans dat denk ik, maar ik krijg dan soms antwoorden terug die zo vol ambtelijke taal staan dat ik geen idee heb wat nou het feitelijke resultaat is. Zes jaar geleden was ik een keer met collega’s bij de toenmalige staatssecretaris, Jetta Klijnsma, op bezoek. Hartstikke goed gesprek. Ze zei: “Lieve jongens, ik heb goed naar jullie geluisterd.” Daarna dacht ik: dit wordt keihard resultaat. Zegt een collega: “Als Klijnsma begint met ‘Lieve jongens’ gaat ze niet doen wat je zegt en is ze het eigenlijk niet met je eens.” We werden dus gewoon afgepoeierd.’
Uw naïviteit bent u intussen kwijtgeraakt?
‘Ja. Ik begrijp wel beter dat het allemaal niet zo gemakkelijk is als ik soms denk, maar ik begrijp nog steeds niet waarom het dan zo moeilijk moet gaan. In een ondernemersomgeving krijg je in elk geval een antwoord, ook al is dat af en toe nee.’
Vonhof gaat in zijn rol als MKB-voorzitter vaak mee op handelsmissies en staatsiebezoeken. ‘Daaraan beleef ik veel plezier.’ Met enige trots: ‘Laatst waren we in Duitsland met het koningspaar en moest er een portret worden gemaakt met de 150 gasten. Ik stond vanwege mijn status net achter de koning. App ik die foto naar mijn vrouw, reageert ze: “Vonhof, als jij nog één keer een blauw pak koopt … Ik verbied het je.” Echt iedereen op die foto had een blauw pak aan. Het leek wel een fanclub.’
Noemt Linda u Vonhof?
Hij lacht: ‘Als zij Vonhof zegt, moet ik meestal op mijn hoede zijn. Grappig is dat ik in haar mobiele telefoon onder de naam “baas” sta. Heb ik ooit voor de gein gedaan. Nog leuker is dat dat ongeveer het enige is wat ik thuis niet ben.’

U hebt al meerdere keren het koningspaar ontmoet. Hoe is dat?
‘Ik ben best van de koude grond, maar bij hen word ik twee maten kleiner. Ze zijn zo waardig en goed voorbereid. En Máxima is altijd prachtig. We zien elkaar regelmatig. Niet dat ze haar duim opsteekt als ze me ziet, maar ik denk wel dat ze weet wie ik ben.’
Al politieke aspiraties gekregen?
‘Dat wordt me nu veel gevraagd, ja. Ik ben denk ik niet genadeloos genoeg. Een politicus wordt omringd door allerlei mensen in de arena die hem ten dienste staan, maar die ten diepste misschien ook zijn plekje willen. De spelers wisselen continu. Het lijkt me ook iets eenzaams hebben en daarin ben ik nogal slecht.’
Hoezo?
‘Voor een Zwollenaar is Den Haag toch het buitenland, dus toen deze baan eraan kwam, leek het me handig een appartement te hebben. Ik huurde iets in Scheveningen. Heerlijk, dacht ik. Geen kinderen aan de afstandsbediening, zelf voetbal kijken met mijn schoenen op de bank, eten waar ik zin in heb, over het strand lopen. Nou, niks daarvan. Als ik daar ’s avonds aankom, is het acht uur. Niemand die zegt: “Hé, leuk dat je er bent”, dus ik ga vaak uit pure ellende al om halfelf naar bed. Ik vind er geen donder aan. Ik ben geen supermens helaas. Ondanks die auto dan hè.’